Bloemen uit Belfast

1 jun

Hij heeft foto’s van zijn nieuwe huis op zijn mobiele telefoon staan, die mag ik wel zien. Het is een Da Vinci-Huis, en hij is verbaasd als ik zeg dat ik nog nooit van deze uit Duitsland afkomstige architecturale stroming heb gehoord. Lichte en transparante gebouwen zijn het, een beetje te licht voor mijn smaak. Te veel glas, te veel ramen. Veredelde vakantiehuisjes.
Hij heeft een tweede huis hier in Belfast, waar hij zaken doet, met uitzicht op de werf waar meer dan honderd jaar geleden de Titanic werd gebouwd. In het weekend gaat hij liever terug naar Londonderry, waar zijn vrouw in dat Da Vinci-huis woont. Van die vrouw heeft hij trouwens ook foto’s. Als ik de schaarsgeklede vrouw – die een tikje te dik en te lelijk is op een typisch Engelse manier – in beeld zie verschijnen ben ik alleen maar opgelucht, want in de ‘thumbnails’ waarop een miniatuur-preview van de foto werd weergegeven, leek het door haar vleeskleurige jurkje even alsof ze helemaal niets droeg.
“She’s beautiful, right?”, vraagt hij. Ik knik.
Mijn drinkebroer is kalend, ergens eind dertig, draagt een vlot jasje. Deze kroeg lijkt zijn natuurlijke habitat te zijn. Als er vrouwen binnen een straal van twee meter van ons tafeltje komen flirt hij ermee, even goede vrienden als ze geen interesse tonen, waar het meestal op uitloopt. Hij is naast me komen zitten in een van die volle pubs in Belfast. Iedereen schuift maar bij elkaar aan en het is niet ongewoon dat dit tot gesprekken leidt. In zijn geval had het nog geen tien seconden geduurd voor hij op niet al te subtiele wijze het gesprek initieerde.
“What’re you drinking, mate?”
“Guiness”, zei ik, gebarend naar het niet te missen logo op het niet te missen glas.
“Ah yes. Love it.” En zo was de kiem gelegd voor een gesprek dat zich de hierop volgende twee uur hortend en stotend voortsleepte. Een paar keer probeerde ik – op steeds minder subtiele wijze – door te laten schemeren dat ik naar de muziek wilde luisteren – een aperte leugen, aangezien alle muziek in Ierse pubs na een tijdje hetzelfde gaat klinken. Hij pikte de hints niet op en bleef stug doorpraten, als een roeier die tegen de stroom in peddelde. Opstaan kon ik niet, ingeklemd als ik zat op een bankje, met de muur aan de ene kant en de Ier aan de andere. Het had niet lang geduurd voor hij zijn foto’s had laten zien, van zijn huis, zijn vrouw. Als ik desgevraagd zeg dat ik twee jongere zussen heb, vraagt hij of hij hun foto’s mag zien; blij toe dat ik geen mobiel met camerafunctie heb.
Het feit dat ik uit Nederland kom, fascineert hem mateloos, en hij noemt een hoop namen van Nederlandse voetballers, namen die mij niets zeggen, hoewel het zou kunnen dat ik ooit bij een Dirk Kuyt in de klas heb gezeten. Als hij me vraagt waar in Nederland ik precies woon, zeg ik eerlijk ‘Tilburg’, in de veronderstelling dat de zesde stad van Nederland bij hem geen belletje zal doen rinkelen. Dat doet het wel.
“Right, Tilburg. In the south, right? Near Belgium. Yeah, I went there once.” Blijkbaar heeft hij een neef of een oom in Breda; het wordt niet helemaal duidelijk hoe het zit. Hij vraagt me of ik in een groot huis woon en ik zeg eerlijk dat ik nog op kamers zit, in een volkswijk woon. Hij zegt dat ik snel een huis moet kopen omdat je als huurder veel te veel betaalt. Toevallig noemt hij ook zijn jaarsalaris, dat vertaalt naar ongeveer 180.000 euro per jaar en hij vraagt me of dit veel is, en ik knik maar, hoewel ik vermoed dat hij het antwoord al weet, dat hij slechts op bevestiging kickt. Hij zegt dat hij niet weet of het veel is, dat hij er gemakkelijk mee rondkomt. Dat zal wel dan, met die twee huizen.
Ik moet er even tussenuit. Omdat mijn eigen bier al twintig minuten op is, bied ik aan er ook eentje voor hem mee te nemen in de hoop dat hij beleefd weigert en zegt dat hij eigenlijk verder moet maar hij neemt mijn aanbod dankbaar aan. Dit had ik moeten zien aankomen.
En zo mag ik nog een uur langer – tot twaalf uur, wanneer de gemiddelde Belfastse pub zijn deuren sluit – van zijn gezelschap genieten, van zijn droevige pogingen om vrouwelijk schoon te versieren, van zijn gepoch over zijn bloemenzaak die in heel het Verenigde Koninkrijk en Ierland klanten heeft.

En toch is er – al die opschepperij ten spijt – steeds iets dat de illusie breekt.
Dat Da Vinci-huis, dat enkel van buiten is gefotografeerd, of uit hoeken die ook door het raam te bezien zijn – je ziet het glas nog zitten – maar nóóit van binnen. De vrouw, zíjn vrouw, die een voet lijkt te missen, alsof ze uit een andere foto is gewipt en overhaast op dat balkonnetje naast de Titanic-werf is gekwakt. Het kinderlijke enthousiasme waarmee hij van mijn aanbod hem een biertje te brengen gebruik maakt, en zijn weigering om ondanks al zijn genoemde fortuinen mij een biertje terug te schenken.
Als we weer op straat staan, steek ik mijn hand op en zeg dat ik terug naar mijn hotel ga. Ik stel voor dat hij een taxi belt want het is een eind lopen naar die Titanic-werf maar nee, hij zegt dat hij de benenwagen neemt. Dus gaat hij op zijn weg, wankelend op zijn benen, westwaarts richting de beruchte Shankill Road. Volgens mij gaat hij de verkeerde kant op, maar hij zal het wel weten.

Madeltar goes Gaelic: Irish Experience

22 mei

3. Let’s talk pubs!

Qua uitgaansgelegenheden is in Dublin zoveel te beleven dat je het risico loopt door de bomen het bos uit het oog te verliezen. De toeristenwijk Temple Bar wordt, zoals eerder vermeld, beter gemeden, tenzij je een ontzettende fan bent van mensenmassa’s en (internationale variaties op) openbare dronkenschap.

Ook buiten deze toeristen ground-zero heeft Dublin het nodige (en meer!) te bieden; aangename pubs met bandjes, comedy clubs, grote glazen Guiness-bier. Glazen van fluitjesformaat zijn langzaam afgevloeid, als een overbodig geworden ambtenaar, en bier is nog slechts verkrijgbaar in halveliterglazen, die ideaal zijn om diep in te turen en je existentiële ennui onder ogen te zien. Het Ierse publiek is gemêleerd als de pest en zowel ouden van dagen als jongeren met in veel gevallen niet veel jonger ogende gezichten zijn er te vinden.

In het zuiden van de stad, beneden de rivier de Liffey die het centrum in tweeën hakt, valt het meeste te beleven, hoewel je in het noorden wel het Writers Museum en het James Joyce Center hebt, alsook het park waarin Joyce volgens de tourist guide ‘Ulysses’ schreef, hoewel hij volgens Wikipedia toen al in Parijs woonde. De waarheid zal ergens in het midden liggen.

 

Hieronder een aantal  pubs die de moeite waard zijn:

 

-International Bar: sympathieke kroeg in een zijstraat van de Dublinse Heuvelstraat, hier bekend onder de naam Grafton Street. Je loopt in deze bar weliswaar een grote kans toeristen tegen te komen maar de kroeg voelt met haar traditionele Ierse muziek, voortgebracht door bands die qua bezetting Arcade Fire naar de kroon steken, Ierser aan. Mocht je hier een versleten mobiele telefoon van het merk Nokia vinden, dan houdt ondergetekende zich aanbevolen.

 

-’O Donoghues: deze pub ligt op loopafstand van het museumkwartier en was eens thuisbasis van bands als The Dubliners (waarvan het grootste deel van de bezetting inmiddels op het kerkhof te vinden is). De bar is een geschikte plaats om mensen te ontmoeten.

 

-Bruxelles: te herkennen aan het beeld van een donkere man genaamd Phil Lynnott die voor de ingang staat; hij was eens de voorman van Thin Lizzy maar is – net als te veel Ierse artiesten, zie ook The Dubliners, Clancy Brothers Band, en Bono – niet langer onder ons.

 

-Doheny & Nesbitt: dit is de meest zakelijke onder de pubs. Net als ‘O Donoghues gelegen aan Merrion Row, is dit voornamelijk een thuisbasis voor politici, ambtenaren en journalisten. Dit is uiteraard niet automatisch een garantie voor intelligente gesprekken.

 

-Neary’s: een pub met een kleine ruimte op de benedenverdieping en een grotere, luxe lounge (naar verluidt thuishaven voor schrijvers en bohemiens) op de bovenverdieping: geen ongebruikelijke formule voor een Ierse pub; de meeste etablissementen beschikken over aanvankelijk verborgen boven- en kelderverdiepingen waar het vaak interessanter toeven is dan op de begane grond.

 

-Magic Leprechaun Bar: de beste en tegelijkertijd meest frustrerende van alle pubs die ik aandeed. Ik bezocht hem tegen het eind van de avond, toen ik al een tikje beneveld was. Ik herinner me een biercantus waarbij men op tafel danste en luidkeels met de muziek mee brulde. Ik herinner me dat het bier gratis was en smaakte alsof er feetjes over je tong dansten. Ik herinner me dat de serveersters de mooiste vrouwen waren die ik ooit had gezien. Toen ik de volgende dag met een kater op een bankje langs de Liffey ontwaakte, was ik echter niet in staat de weg naar deze bijzondere pub terug te vinden. Toen ik de ‘locals’ naar de Magic Leprechaun Bar vroeg, keken ze me aan alsof ik gek was en één grote Ier stompte me zelfs in mijn maag. Het zal wel altijd een raadsel blijven.

Madeltar goes gaelic: Irish experience

21 mei

2. DUBHLINN

Dublin is geen stad om er in één middag doorheen te jagen. Integendeel: het is een volle driegangenmaaltijd van een stad. Of, om de befaamde Dublinse deken en satirist Jonathan Swift te parafraseren: ‘Here we are now, entertain us. I feel stupid and contagious. Yeah-eah. Yeah-eah.’
Ook de infrastructuur van de stad ontmoedigt haast. Ter ere van Samuel Beckett, schrijver van het beroemde toneelstuk ‘Wachten op Godot’ en een van Dublins beroemdste zonen, zijn de wachttijden bij de stoplichten in de Ierse hoofdstad deze week tot in het oneindige opgerekt, dit om Becketts existentiële wanhoop volledig tot zijn recht te laten komen.
Als Belfast een goedbezochte braderie was, dan is Dublin een goedbezochte braderie op Times Square tijdens Oudejaarsavond. De stad barst uit haar voegen van de toeristen. Naar verluidt heeft de bekende Dublinse dichter William Butler Yeats (pronunciatie: Jeets) bij het zien van deze volksstromen zijn befaamde woorden gemompeld: ‘All’s changed, changed utterly. A terrible beauty is born.’
Zolang je de grootste publiekstrekkers en wijken als Temple Bar links laat liggen, is het echter prima te doen. In de periferie van het centrum vind je de leukste musea, de beste pubs. In literair opzicht is het allemaal zeer verantwoord. Ierland dweept met haar geschiedenis, haar beroemde burgers. Waar wij in Tilburg genoegen moeten nemen met Guus Meeuwis, trekt Dublin zonder veel moeite een blik Oscars Wilde open. De geschiedenis van Ierland is lang en bloederig, met meer onderdrukking en repressie dan de verzamelde werken van Freud (géén Ier). Als de Ieren het niet aan de stok hadden met Vikingen, Noormannen of Engelsen, dan woedde er wel ergens een burgeroorlog of viel de aardappeloogst tegen. Het is geen wonder dat zoveel Ieren de wijk namen naar New York. Of, zoals James Joyce – die zelf op jonge leeftijd naar Parijs vertrok – al schreef: Ulysses, Dubliners, Finnegans Wake.
Dublin kent een actief uitgaansleven, soms té actief. Mijn hotelkamer zag uit op een steeg, waar de tweede nacht geluiden van een schermutseling klonken.
“Ach, I’m getting shanked!”, riep iemand, “Fer God’s sake, somebody help me!” Woeste kreten en het onmiskenbare, sopperige geluid van een mes dat in een lichaam werd gedreven, waren te horen.
Een eeuwigheid leek te verstrijken voordat eindelijk de laatste doodsratel klonk en de stem er met een laatste “Sweet merciful oblivion!” het zwijgen toe deed. Ik klaagde bij het hotelmanagement maar die zeiden slechts dat het een ‘feature’ van de kamer was, een blik op het traditionele Ierse nachtleven zoals dat werd beschreven in ‘Ulysses’. James Joyce kon niet bereikt worden voor commentaar.

CONCLUSIES:

+ veel te doen
+ rijke en boeiende geschiedenis
– veel toeristen
-(nog) niet verkrijgbaar op Kindle en iPad.

VOLGENDE KEER: EEN GIDS VAN DE DUBLINSE PUBS

Madeltar goes gaelic: de Irish Experience

20 mei

Na een aanvaring met de gegoede burgerij van Tilburg werd Brabants meest controversiële zoon Madeltar voor een duivels dilemma geplaatst: koos hij voor de gifbeker of voor een vrijwillig ballingschap in het buitenland? Een aanstelling voor de Nederlandse ambassade op de eilanden van Ierland en het Verenigd Koninkrijk bood uitkomst. De jonge schrijver koos eieren voor zijn geld en vertrok als kroniekschrijver naar het geboorteland van zijn meest dierbare vijand James Joyce. In dit reisverslag documenteert hij zijn avonturen ‘in den vreemde’.

1. Beál Feirste

De stad slaapt wanneer ik er arriveer. Een sluier van regenwolken hangt over de omgeving, boven Cave Hill, langs de toppen van Black Mountain, tot de havens aan toe. Het eerste dat opvalt in Belfast is dat alle openbare klokken, waarvan er de nodige zijn – het meest in het oog springend de lichtjes overhellende Albert Memorial Clock op Queen’s Square – verkeerd staan. Op die manier lijkt het wel alsof Belfast een uur achterloopt. Wellicht is het aan de recessie te wijten.
Van die recessie is in de rest van de op puike wijze onderhouden stad niet veel te merken. Op veel plaatsen doet Belfast aan als Rotterdam of als het Londonse Dockyards-District. Veel opgeknapt oud-havengebied en échte grofgebekte Noord-Ieren die luidkeels meebrullen met de muziek in pubs en dingen zeggen als ‘Fecking sheit! Bloomin’ tossed it up the feck-arse, aye?’ Ook veel stijlvolle nieuwbouw in combinatie met smaakvol gerestaureerde oud-loodsen en fabrieksgebouwen: de natte droom van elke yup. De ‘locals’ zijn van het type ruwe bolster, blanke pit: tot drie keer toe word ik gecomplimenteerd met mijn hoed en diverse ‘Nice hat, mate’ s later heb ik nog niet uitgevogeld of ze het sarcastisch bedoelen.
Jongste bezienswaardigheid is het Titanic Museum, gewijd aan de gelijknamige boot die in 1912 vanuit Belfast het ruime sop koos. Het bereiken van dit museum, weggestoken aan de andere kant van de rivier de Lagan in een door wind en storm geteisterde wijk, blijkt een titanische onderneming. Het museum is dik een maand open en moet een nieuwe toeristenimpuls aan Belfast geven. Het schetst een compleet en objectief verhaal van de bouw, vaart en ondergang van de HMS Titanic, maar tegen het eind van de tour word ik toch weer met de haast onvermijdelijke tonen van Celine Dions prog-rock-klassieker ‘My heart will go on’ geconfronteerd, wat de ervaring een tikje verzuurt.

Naast het museum is ook een bezoek aan de lokale universiteit met naastgelegen botanische tuin de moeite waard. Hoewel het in gotische stijl gebouwde hoofdgebouw van Queen’s University het niet haalt bij de grijze monolieten waarin Tilburg University gehuisd is, is het toch een mooi gezicht.
Sla ook de honderd jaar oude City Hall niet over. Elke dag zijn er verschillende rondleidingen langs de raadzalen en kantoren van het gemeentehuis. Als ik er op een doordeweekse middag doorheen wandel, oogt het gebouw uitgestorven, en ik vraag me af waar de ambtenaren zijn.
Daarna is het tijd voor de kroeg. Zie op maandagavond maar eens een Belfastse pub te vinden die geopend is. Een oriënterende wandeling levert louter gesloten deuren op: met al het gemor over Griekenland en Portugal is het gemakkelijk te vergeten dat ook Ierland door de recessie als een roodharig stiefkind in het rond is geschopt. ‘The Crown Bar’, naar eigen zeggen de oudste pub van Noord-Ierland biedt uitkomst. Het publiek is er naar. De kroeg is stampvol maar misschien is dat omdat alle andere pubs dicht zijn. Een gemêleerd gezelschap van Ieren, Schotten, Denen, Amerikanen en Engelsen hangt aan de bar. Later op de avond is er in de buurkroeg muziek, traditionele Ierse muziek met violen en al. Een oude heer van minstens tachtig jaar oud danst energiek mee, totdat hij door de bewaking vriendelijk naar buiten wordt geëscorteerd zodat er meer toeristen kunnen zitten. In zijn lot zie ik de toekomst van Belfast, dat de toeristenindustrie als bron van inkomsten heeft ontdekt. De Troubles zijn dood. Lang leve de toeristen.

Madeltar-rating: ****/***** WOULD BUY AGAIN

DE VOLGENDE KEER: DUBHLINN

Reis rond de wereld in Luuk dagen (slotaflevering)

6 mei

WAT VOORAFGING:

Het is lang geleden en ik moet dit uit mijn hoofd doen, dus vergeef me als ik zaken door elkaar haal. Luuk van Dijk ging op wereldreis om alle bronnen die hij in zijn publicaties heeft gebruikt opnieuw te interviewen en zo hun betrouwbaarheid te verifiëren. Klopt dat ongeveer? In de bezette gebieden wordt hij echter opgepakt en door de Mossad gedwongen een groot man uit de weg te ruimen: de dalai lama. Juist als Luuk heeft besloten dat het hem alle moeite niet waard is, wordt hij met chloroform bedwelmd en ontvoerd…

Toen Luuk van Dijk het bewustzijn hervond, zat hij in een fauteuil in een forse, in klassieke boeddhistische stijl ingerichte, werkkamer die uitzag op de bergketen rondom de citadel van Dharamsala. Verdomd, dan was hij dat ellendige land nog steeds niet uit!
Hij was niet alleen. De achterkant van een draaistoel was naar Luuk gekeerd. “Je bent een verdomd slechte moordenaar, Luuk van Dijk.”, klonk het.
“Dat mag je me in mijn gezicht zeggen!” Luuk stond op. Toen hij dichterbij kwam, draaide de stoel negentig graden. Er zat een lama in, niet zomaar een lama maar een dalai lama. Hij grijnsde zijn tanden bloot. De lama was verrassend mager, kalend, vandaag gekleed in een soort sjerp en een gewaad dat typisch was voor iemand van zijn stand en afkomst.
“Daar is hij dan.”, zei de lama in perfect Nederlands, “Luuk van Dijk, mijn would-be moordenaar. Mijn mensen houden je al in de gaten sinds je binnen de landsgrenzen bent. En nu… Ik zal al je ergste nachtmerries laten uitkomen, Luuk van Dijk!” Luuk was niet onder de indruk. Er waren slechts twee zaken die hij vreesde: identiteitsdiefstal, en spoken. Hij zag hier nergens spoken en het leek er niet op dat de lama van plan was in het vervolg als Luuk van Dijk door het leven te gaan.
“Je bent dwaas geweest”, zei Luuk, “Ik stond net op het punt naar huis te gaan.”
“Je liegt.”, zei de lama maar aan zijn stem merkte Luuk dat de zaden van onzekerheid waren gezaaid.
“Ik wil hier niets meer mee te maken hebben”, zei Luuk “Deze jongen gaat naar huis. Ik ben nu al een half jaar op reis en ik weet niet of er thuis iemand op mijn kat let.” Hij keerde zich om. Even leek het erop alsof de lama hem zou laten gaan.
Toen hoorde hij het geluid van een timer die begon met aftellen. “Roest!”, zei de lama. Hij liep naar Luuks reiskoffer, die blijkbaar ook mee naar binnen was gebracht, opende hem. Tussen Luuks handdoeken en boeken zat een klein pakketje met een naar beneden aftellend display verborgen.
“De Mossad heeft er een bom in gestopt!”, zei lama, “Eentje die vanaf een grote afstand geactiveerd kan worden. Binnen een halve minuut wordt deze citadel naar St. Juttemus geblazen! Vlug, pak mijn hand!”
Met tegenzin greep Luuk de lama vast. Het volgende moment vervaagde hun omgeving. Zij maakte plaats voor een groenblauwe horizon zover het oog reikte. Onder zijn voeten voelde Luuk zand, zand en zeewier. Luuk besefte dat hij ontelbare mijlen onder zee was. Net als in zijn vorige avontuur!
De lama stond naast hem. “Geen zorgen, Luuk. Ik heb je tijdelijk kieuwen gegeven. Je zult niet verdrinken.”
“Wat de hel was dat?”, vroeg Luuk. Zijn stem klonk waterig.
“Ik heb ons ver weg geteleporteerd.”, zei de lama, “Maar van mijn citadel is denk ik niet veel over.”
“Je kan wel teleporteren en mij kieuwen geven maar geen bom ontmantelen?” Als Luuk een beetje boos klonk, dan was dat met opzet. “En al je werknemers dan die nog in de citadel waren? Er was een meisje uit mijn klas bij.”
“Het spijt me.” De lama begon te huilen. Luuk zweeg en keek weg, naar de ruïne om hem heen. Verspreid over de zeebodem zag hij de resten van wat eens een imposante stad moest zijn geweest.
“Waar zijn we?”
“Welkom in Atlantis”, zei de lama, die zijn tranen droogde, “Dit is mijn laatste toevluchtsoord. De Mossad zit achter me aan omdat ze de Doos van Pandora willen.”
“Bestaat die dan?”
“Nee, natuurlijk niet. Dit is allemaal een raar angstvisioen.” Het duurde even voordat Luuk besefte dat de lama zich van sarcasme bediende. De spiritueel leider was er niet erg bedreven in.
Hij volgde de lama naar wat eens een pleintje moest zijn geweest. Hij zag de resten van een fonteintje en een terrasje. Atlantis was ooit een aangenaam oord. De lama beklom een verhoging en liep naar een grote kist. “Dit is de Doos van Pandora. Het is mijn taak en nu ook de jouwe om koste wat kost te voorkomen dat iemand haar ooit opent. Als dat gebeurt, komt het kwade vrij. Oorlog, ziekte, vreemdelingenhaat, de dood. Al deze vreselijke zaken zullen zich op de mensheid storten.”
“Ik denk dat ik al weet wat hier aan de hand is.”, zei Luuk. Hij flipte zonder pardon het deksel van de kist open.
“Wat doe je?”, gilde de lama.
“Zie je, hij is leeg!”, zei Luuk, wijzend op de inhoud van de kist. “En dat is hij waarschijnlijk al sinds mensenheugenis.”
“Je hebt gelijk”, zei de lama, “Hoe kan ik zo blind zijn geweest? Al het kwade is al jaren geleden ontsnapt. Er is niets over.”
“Niet helemaal”, zei Luuk. Hij graaide diep in de kist en haalde er iets uit. “Een stuiver!”, zei hij gretig, “Oh, én hoop.” Hij maakte een kommetje van zijn handen en schepte het lichtgevende goedje er uit. “Wil je ook een slokje hoop, lama?”

*

Zijne Eminentie de rector sloeg het proefschrift dicht. “Quatsch! Onvoorstelbare onzin! Je duim ziet dik, Luuk van Dijk, van al het zuigen!”
“Maar het is echt gebeurd!”, zei Luuk van Dijk. Ze waren bijeen in de kamer van de rector, waar Luuk hen de afgelopen anderhalf uur van zijn bevindingen op de hoogte had gesteld.
“Dit is wat er gebeurd is?”, vroeg Peter Otterbatser, de secretaris van de rector, “Je werd door de Mossad gedwongen de dalai lama te vermoorden en hij nam je mee naar Atlantis waar jullie de Doos van Pandora openden? Besef je zelf hoe onwaarschijnlijk dat klinkt?”
“Welk deel klinkt er onwaarschijnlijk dan?”, zei Luuk vinnig, “Want daar ben je niet erg duidelijk in.” Hij wees naar het honderdtwintig pagina’s tellende proefschrift dat, gebonden en wel, voor de rector op tafel lag. “Dit reisverslag is het proefschrift waarop ik zal promoveren, en daar kunt u het mee doen.”
“Waar is Laetitia?”, vroeg Otterbatser, “Kan zij je verhaal niet bevestigen?”
“Ik ben haar geloof ik vergeten”, zei Luuk, “Ik hoop dat ze niet in de citadel was toen die de lucht in ging. Ik ben enigszins op haar gesteld geraakt.” Hij stond op. “Hoe dan ook, mijn verdediging zit erop. Ik neem aan dat er nu ergens een borrel is?”
“Nee. Neenee.”, zei de rector, “Zo gaat het niet. Stapelgate is weliswaar overgewaaid, als regen over de bergen, maar je hebt niet kunnen aantonen dat je publicaties niet besmet zijn. Ik weet het goed gemaakt, Luuk van Dijk. Hier op de unief is misschien geen plaats voor je, maar een niet nader te noemen politieke partij zoekt capabele mensen voor hogere posten.”
Luuk van Dijk een politicus? Hij dacht terug aan zijn tijd bij de Minachtende Elite, zijn zelf opgerichte studentenfractie, maar die periode lag zo ver achter hem dat hij niet wist hoe erop terug te kijken. “Dat lijkt me wel wat. Wanneer kan ik beginnen?”
“In september zijn er weer verkiezingen.”, zei Otterbatser, “Tot die tijd ben je met betaald verlof. Ik heb je goede vriend Toon Kopmans benoemd als je woordvoerder en ‘spin doctor’. Hij zal naar verwachting binnen enkele maanden terugkeren van zijn wereldreis; als het goed is, is hij inmiddels geen gems meer. Ik stel voor dat je je gaat inlezen in het politieke wereldje.”
Luuk van Dijk als Minister van Onderwijs, dat zou nog wat worden! Fluitend liep hij de kamer uit. “Hoed u, studentenvolk!”, brulde hij strijdlustig, “Luuk van Dijk lust jullie rauw!”

EINDE VAN DIT AVONTUUR.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.