De citadel van Dharamsala was misschien niet een van de zeven wereldwonderen, maar het had er zomaar een kunnen zijn. Een groot paleis, gehouwen uit zand, een entree gemaakt van lapis lazuli, vloeren belegd met smaragden en spouwmuren die grote spiegels waren. Aan het uiteinde van de enorme inkomsthal zwaaide een immense pendule onder een klok met één kleine en wel negenendertig grote wijzers, één voor elke tijdzone op onze wereld. Geüniformeerde mannen met op hun ruggen de afdruk van een gehoefde llama-poot liepen af en aan, en voortdurend arriveerden koeriers en boden met het laatste nieuws omtrent belangrijke gebeurtenissen op het wereldtoneel.
“Een aanslag in het Midden-Oosten!”, riepen ze, of “De Dow Jones is gedaald! Verkopen, verkopen!” Ook al verkeerde de dalai lama in ballingschap, hij zou zich niet laten afsluiten voor de buitenwereld.
Luuk was een tikje overdonderd toen hij binnenkwam. Hij had verwacht zo door te kunnen lopen naar de dalai lama, maar het was duidelijk dat dit meer voeten in aarde zou hebben.
“Had u een afspraak?”, vroeg een jongedame die achter de receptie zat. Luuk was aangenaam verrast dat ze Nederlands sprak. Met al deze wereldreizen zou hij bijna zijn moedertaal verleren.
“Een afspraak?”, peinsde Luuk hardop, “Moet je tegenwoordig een afspraak hebben om naar de llama te mogen?”
“Jazeker. De lama is een drukbezet man.”, zei het meisje, “Wacht eens even… Die aristocratische oogopslag, die grote neusgaten… Ken ik jou niet ergens van?”
Luuk zweeg diplomatiek. Hij was berucht in zijn onvermogen om gezichten te herkennen. Vrijwel elk gezicht had evenveel ogen, oren, een neus en een mond; hij vond het haast onmogelijk daar onderscheid in te vinden. Er waren dagen dat hij in de spiegel keek en zich afvroeg aan wie het ingevallen, vermoeid ogende gezicht dat terug staarde kon toebehoren.
“Ik weet het zeker. Ja, Luuk van Dijk! Jij bent het!”, riep ze. Ze viel hem nog net niet om de hals. Die ogen… Had hij die ooit eerder gezien? Haar mond misschien? Was er iets bijzonders of unieks aan haar jukbeenderen of haar voorhoofd dat een herinnering triggerde? Hoe hard hij ook zijn best deed, hij kon niets bedenken. “Sorry als ik je niet herken, meisje, maar ik heb net drie maanden in een Joodse cel doorgebracht en laat ik het zo zeggen: dat gaat je niet in de koude kleren zitten.”
“Ik ben het, Luuk. Bobbine, van je middelbare school. Ik zat naast je bij wiskunde. Oh, wat hebben we wat afgelachen bij de lessen van die oude meneer Brekelmans.”
“Oh ja”, loog Luuk, “Nu weet ik het weer. Hoe gaat het met je, Wobine?”
“Na de middelbare school ben ik gaan reizen.”, zei Bobbine, “Ik heb de hele wereld gezien. Rusland, Japan, de Amerika’s. En Tibet natuurlijk. Bij het boeddhisme bleek toch echt mijn hart te liggen. Ik heb hier geholpen een school voor weeskinderen op te zetten. Op die manier kreeg ik de aandacht van de hoogste leider van het boeddhisme, en nu ben ik de persoonlijke assistente van de dalai lama.”
De lamaverzorgster, dacht Luuk, daar is ze dan voor naar school geweest. “Ik zou graag de lama persoonlijk spreken. Kun jij dat voor me regelen?”
“Ik zou het voor je kunnen regelen”, zei ze aarzelend, “Maar…” Een traan welde op in haar ooghoek. “Ik word nu even teveel in beslag genomen door het probleem waarmee ik kamp. Het zit zo: Ik ben mijn zilveren halsketting verloren, een erfstuk van mijn moeder, moge zij rusten in vrede.”
“Ja”, begon Luuk, “Als ik…”
“Oh! Wat lief dat je wilt doen.”, zei ze, “Typisch Luuk! Ik heb altijd al geweten dat je een goed mens was. De halsketting werd me ontstolen door bedoeïenen. Ze hebben zich verschanst in een grot. Hier, ik zal de locatie op je kaart aangeven.”
“Geen zorgen, deze jongen heeft GPS.”, zei Luuk, zwaaiend met mijn Blackberry, “Mail me de coördinaten maar door.”
Met die woorden keerde hij zich om en wandelde terug naar de riksja. “Daar ga ik weer”, zei hij bij zichzelf, “Het ergst is dat ik me niet eens meer herinner waarom ik hier ben, of wat ik hier doe. Wat bezielde me om naar het buitenland te gaan? Ik had beter gewoon in Nederland kunnen blijven. Weet je wat? Dat is wat ik doe. Ik ga gewoon terug naar huis. Het is leuk geweest. Dag Tibet! Dag Azië! Als je Luuk van Dijk zoekt, dan zit hij thuis met een goed boek op de bank.”
Hij klom in de riksja, ging zitten, en besefte toen pas dat er iemand naast hem zat. Een figuur in zo’n lama-uniform, een werknemer van de dalai lama.
“Zoek je eigen riksja, maat.”, begon Luuk maar voor hij zijn zin had afgemaakt was er een lap chloroform tegen zijn gezicht gedrukt…
VOLGENDE KEER: DE FINALE!


Nel zegt