Hij heeft foto’s van zijn nieuwe huis op zijn mobiele telefoon staan, die mag ik wel zien. Het is een Da Vinci-Huis, en hij is verbaasd als ik zeg dat ik nog nooit van deze uit Duitsland afkomstige architecturale stroming heb gehoord. Lichte en transparante gebouwen zijn het, een beetje te licht voor mijn smaak. Te veel glas, te veel ramen. Veredelde vakantiehuisjes.
Hij heeft een tweede huis hier in Belfast, waar hij zaken doet, met uitzicht op de werf waar meer dan honderd jaar geleden de Titanic werd gebouwd. In het weekend gaat hij liever terug naar Londonderry, waar zijn vrouw in dat Da Vinci-huis woont. Van die vrouw heeft hij trouwens ook foto’s. Als ik de schaarsgeklede vrouw – die een tikje te dik en te lelijk is op een typisch Engelse manier – in beeld zie verschijnen ben ik alleen maar opgelucht, want in de ‘thumbnails’ waarop een miniatuur-preview van de foto werd weergegeven, leek het door haar vleeskleurige jurkje even alsof ze helemaal niets droeg.
“She’s beautiful, right?”, vraagt hij. Ik knik.
Mijn drinkebroer is kalend, ergens eind dertig, draagt een vlot jasje. Deze kroeg lijkt zijn natuurlijke habitat te zijn. Als er vrouwen binnen een straal van twee meter van ons tafeltje komen flirt hij ermee, even goede vrienden als ze geen interesse tonen, waar het meestal op uitloopt. Hij is naast me komen zitten in een van die volle pubs in Belfast. Iedereen schuift maar bij elkaar aan en het is niet ongewoon dat dit tot gesprekken leidt. In zijn geval had het nog geen tien seconden geduurd voor hij op niet al te subtiele wijze het gesprek initieerde.
“What’re you drinking, mate?”
“Guiness”, zei ik, gebarend naar het niet te missen logo op het niet te missen glas.
“Ah yes. Love it.” En zo was de kiem gelegd voor een gesprek dat zich de hierop volgende twee uur hortend en stotend voortsleepte. Een paar keer probeerde ik – op steeds minder subtiele wijze – door te laten schemeren dat ik naar de muziek wilde luisteren – een aperte leugen, aangezien alle muziek in Ierse pubs na een tijdje hetzelfde gaat klinken. Hij pikte de hints niet op en bleef stug doorpraten, als een roeier die tegen de stroom in peddelde. Opstaan kon ik niet, ingeklemd als ik zat op een bankje, met de muur aan de ene kant en de Ier aan de andere. Het had niet lang geduurd voor hij zijn foto’s had laten zien, van zijn huis, zijn vrouw. Als ik desgevraagd zeg dat ik twee jongere zussen heb, vraagt hij of hij hun foto’s mag zien; blij toe dat ik geen mobiel met camerafunctie heb.
Het feit dat ik uit Nederland kom, fascineert hem mateloos, en hij noemt een hoop namen van Nederlandse voetballers, namen die mij niets zeggen, hoewel het zou kunnen dat ik ooit bij een Dirk Kuyt in de klas heb gezeten. Als hij me vraagt waar in Nederland ik precies woon, zeg ik eerlijk ‘Tilburg’, in de veronderstelling dat de zesde stad van Nederland bij hem geen belletje zal doen rinkelen. Dat doet het wel.
“Right, Tilburg. In the south, right? Near Belgium. Yeah, I went there once.” Blijkbaar heeft hij een neef of een oom in Breda; het wordt niet helemaal duidelijk hoe het zit. Hij vraagt me of ik in een groot huis woon en ik zeg eerlijk dat ik nog op kamers zit, in een volkswijk woon. Hij zegt dat ik snel een huis moet kopen omdat je als huurder veel te veel betaalt. Toevallig noemt hij ook zijn jaarsalaris, dat vertaalt naar ongeveer 180.000 euro per jaar en hij vraagt me of dit veel is, en ik knik maar, hoewel ik vermoed dat hij het antwoord al weet, dat hij slechts op bevestiging kickt. Hij zegt dat hij niet weet of het veel is, dat hij er gemakkelijk mee rondkomt. Dat zal wel dan, met die twee huizen.
Ik moet er even tussenuit. Omdat mijn eigen bier al twintig minuten op is, bied ik aan er ook eentje voor hem mee te nemen in de hoop dat hij beleefd weigert en zegt dat hij eigenlijk verder moet maar hij neemt mijn aanbod dankbaar aan. Dit had ik moeten zien aankomen.
En zo mag ik nog een uur langer – tot twaalf uur, wanneer de gemiddelde Belfastse pub zijn deuren sluit – van zijn gezelschap genieten, van zijn droevige pogingen om vrouwelijk schoon te versieren, van zijn gepoch over zijn bloemenzaak die in heel het Verenigde Koninkrijk en Ierland klanten heeft.
En toch is er – al die opschepperij ten spijt – steeds iets dat de illusie breekt.
Dat Da Vinci-huis, dat enkel van buiten is gefotografeerd, of uit hoeken die ook door het raam te bezien zijn – je ziet het glas nog zitten – maar nóóit van binnen. De vrouw, zíjn vrouw, die een voet lijkt te missen, alsof ze uit een andere foto is gewipt en overhaast op dat balkonnetje naast de Titanic-werf is gekwakt. Het kinderlijke enthousiasme waarmee hij van mijn aanbod hem een biertje te brengen gebruik maakt, en zijn weigering om ondanks al zijn genoemde fortuinen mij een biertje terug te schenken.
Als we weer op straat staan, steek ik mijn hand op en zeg dat ik terug naar mijn hotel ga. Ik stel voor dat hij een taxi belt want het is een eind lopen naar die Titanic-werf maar nee, hij zegt dat hij de benenwagen neemt. Dus gaat hij op zijn weg, wankelend op zijn benen, westwaarts richting de beruchte Shankill Road. Volgens mij gaat hij de verkeerde kant op, maar hij zal het wel weten.


Nel zegt